Lezers zijn ‘lui’ en willen aan hun hand worden meegenomen door jouw verhaal. Zeker als je tekst wat langer of inhoudelijk lastig is. Is de structuur dan niet helder of moet de lezer zelf op zoek gaan naar de rode draad in je verhaal, dan raak je hem kwijt.

In dit artikel vertel ik je waarom een goede structuur in je tekst belangrijk is en hoe je een duidelijke structuur in je tekst terug kunt laten komen.

Het belang van goede structuur

Een goede tekst vormt één geheel, het is een lopend verhaal. En jij kent die rode draad van jouw verhaal en weet wat de opbouw is. Je hebt de tekst immers zelf geschreven.

Maar je lezer weet dat niet en heeft dus meer behoefte aan houvast. Daarom moet je hem je hand reiken en hem als een gids door de tekst heen begeleiden.

Zeker bij langere verhalen of teksten over lastige onderwerpen, is het belangrijk om jouw lezer houvast te bieden. En dat kun je op verschillende manieren doen.

Een tekst al een huis

Eigenlijk moet je het schrijven van een tekst zien als het bouwen van een huis. Het huis staat vol met spullen die iets betekenen: stoelen, bestek, lampen en een pan.

tekst huis structuur

Maar met die spullen op zichzelf kun je niets: wat moet je met een stoel die op straat staat? Of met bestek dat op de grond ligt. Nee, de voorwerpen moeten op bepaalde plekken komen te staan. In specifieke ruimtes waar ze samen een functie krijgen.

Daarom je een fundering nodig, muren met tegels en cement ertussen en een dak. Meer specifiek heb je ook binnen muren nodig, met deuren, ramen en leidingen. Dit geeft een bepaalde structuur in je huis. En pas als die structuur er is, ga je het huis inrichten.

Voor een tekst is het niet anders: de inhoud kun je zien als het interieur van je verhaal, maar op zichzelf kun je daar niets mee. Je moet er een geheel van maken, en dat doe je met zogenaamde structuuraanduiders.

10 manieren voor structuur in je tekst

Er zijn verschillende manieren om structuur aan te brengen in je tekst. Ik som de 10 beste manieren op van ‘algemeen’ (tekstbreed) naar specifiek (op woordniveau).

1. Een titel

De titel is het eerste wat de lezer ziet, en daarmee een van de belangrijkste hulpmiddelen voor jou. Met een goede, inhoudelijke titel vertel je de lezer wat hij kan verwachten in de rest van het verhaal.

Is jouw titel onduidelijk, dan staat de lezer gelijk op achterstand, omdat hij dan in je tekst moet proberen te achterhalen waar het verhaal over gaat. Als hij al gaat lezen, want een titel die niet duidelijk is nodigt ook niet uit om (verder) te lezen.

Zorg dus voor een titel die duidelijk aangeeft waar jouw tekst om draait: het antwoord op een vraag, informatie over een bepaalde theorie of argumenten voor een specifiek standpunt bijvoorbeeld.

2. Inleiding, kern en slot

Naast een goede titel dient de tekst een duidelijke inleiding, een informatieve kern en een afrondend slot te hebben. Dit geldt voor bijna elke tekst: brieven die je krijgt van de overheid, een folder van je zorgverzekeraar of het artikel dat je nu aan het lezen bent.

In je inleiding maak je in ieder geval duidelijk wat het onderwerp, de opbouw en het tekstdoel zijn, zoals informeren, overtuigen of activeren. In de kern volgt ‘de inhoud’, bijvoorbeeld informatie, argumenten of instructies. In het slot volgt nog een samenvatting of conclusie en eventueel een verwijzing naar meer informatie.

Lezers verwachten deze opbouw in een tekst. Als je hier niet aan voldoet, zullen ze verward raken en stoppen met lezen. Alleen heel specifieke teksten, zoals nieuwsberichten, gebruiken trouwens een iets andere structuur. Maar dit weet en verwacht de lezer ook.

3. Tussenkopjes

Tussenkopjes zijn handig als je de tekst scannend leest. Zo ontdek je snel waar een onderwerp terugkomt en krijg je een globaal beeld van de opbouw van de tekst.

Afhankelijk van de lengte van je tekst en het aantal onderwerpen dat je behandelt, kun je tussenkopjes gebruiken. Vooral bij online teksten is het advies verder om niet meer dan twee tot drie alinea’s per tussenkopje te gebruiken.

4. Paragrafen

Vooral langere teksten hebben paragrafen, maar het is een wat achterhaald begrip aan het worden. In een paragraaf komt één onderwerp terug, dat vaak overeenkomt met een tussenkopje. Een paragraaf bestaat vervolgens uit verschillende alinea’s, die allemaal over min of meer hetzelfde onderwerp gaan.

5. Alinea's

Je hebt het vast wel eens gezien: een tekst die bestaat uit één lange lap woorden, zinnen en regels. Een grote vlek die de hele pagina beslaat. Ik word daar angstig van en heb gelijk al geen zin meer om te lezen (“want dat is zó veel tekst!”).

Teksten zonder alinea-indeling zijn onduidelijk en moeilijk te volgen, omdat je als lezer niet weet waar je even kunt pauzeren of waar een volgend onderwerp begint.

Wat de ideale lengte van een alinea is verschilt per medium. Online is het meestal niet meer dan drie zinnen, en geprint is het advies niet meer dan zeven tot tien zinnen in één alinea te plaatsen.

6. Kernzinnen

Elke alinea heeft een kernzin, die op een logische plaats staat. De kernzin is de belangrijkste zin van de alinea, en de rest van de zinnen gaat hierop door. Bijvoorbeeld door een toelichting te geven, voorbeelden of argumenten.

De meest logische plaats is de eerste zin van de alinea. Soms is ook de tweede zin mogelijk (als je een overgangszin hebt) of kun je de kernzin aan het eind van de alinea plaatsen. Bijvoorbeeld als je naar een climax toewerkt of een conclusie wilt trekken.

7. Overgangszinnen

Overgangszinnen gebruik je als je twee verschillende onderwerpen met elkaar wilt verbinden. Deze onderwerpen hebben wel iets met elkaar te maken en volgen logisch op elkaar (anders klopt je opbouw waarschijnlijk niet), maar je hebt een extra zin nodig om ze aan elkaar te koppelen. Je ziet overgangszinnen vaak terug tussen paragrafen.

8. Signaal- en verwijswoorden

Ook op zinsniveau gebruik je structuuraanduiders, zoals signaal- of verwijswoorden. Signaalwoorden geven een bepaald verband aan tussen zinnen, zoals een verklaring (want), tegenstelling (maar), opsomming (en) of conclusie (dus).

Verwijswoorden verwijzen (zoals de naam al zegt) naar een woord, zinsdeel of zin eerder in de tekst. Veel voorkomende verwijswoorden zijn deze, die, dit, dat en wat.

Als richtlijn houd ik aan dat elke zin een signaal- en/of verwijswoord moet bevatten. Zo niet, dan zit er een ‘gat’ in je tekst. Kun je geen signaal- of verwijswoord aan de zin toevoegen, dan klopt de opbouw van je tekst waarschijnlijk niet.

9. Interpunctie

Punten en komma’s, maar ook haakjes en aanhalingstekens geven ook informatie over de tekst. Bijvoorbeeld dat er een citaat komt, een vraag wordt gesteld, extra informatie volgt of er een opsomming staat.

Ga maar na: als je alle interpunctie weglaat, blijft er één lange, ongestructureerde en onleesbare zin over. Onderschat het nut (én de noodzaak) van de kleine leestekens dus niet!

10. Tekstopmaak

Tot slot kun je ook nog structuur aanbrengen met tekstopmaak, zoals markeren, onderstrepen, cursiveren (schuin) of vet maken. Meestal geef je daarmee aan wat belangrijke woorden of zinnen zijn, of laat je (online) zien dat je linkt naar een andere pagina.

In elke zin structuuraanduiders

Je kunt dus op veel manieren structuur aanbrengen in je tekst. Welke ‘structuurhandvatten’ voor jouw tekst het meest bruikbaar zijn, dat hangt van het tekstsoort en het doel van je tekst af.

Wat wel belangrijk is, is dat elke zin, elke alinea, elke paragraaf en elke tekst structuuraanduiders heeft. Pas dan is je tekst écht één geheel. En als je er nu een tekst van jezelf bij pakt, zie je dan welke structuuraanduiders je hebt gebruikt?


1 reactie

Weg met Jip-en-Janneketaal - Voor Straks · 6 november 2018 op 10:13

[…] belangrijk is in een tekst, is de structuur. De tekst moet samenhang vertonen en een duidelijke rode draad hebben. En voor die samenhang heb je […]

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.